Humane biomonitoring

Wat is humane biomonitoring?

Humane biomonitoring (HBM) staat voor ‘meten in de mens’. Aan de hand van metingen in o.a. bloed- en urinestalen kan de blootstelling van de mens aan chemische stoffen worden nagegaan (met biomerkers van blootstelling) en kan de relatie met (vroegtijdige) gezondheidseffecten worden onderzocht (met biomerkers van effect).

HBM meet de inwendige dosis aan vervuilende stoffen die in het lichaam terecht komen via diverse blootstellingsroutes (zoals inademen, inslikken, via de voeding of via huidcontact) en die van diverse bronnen afkomstig kunnen zijn. In aanvulling op metingen in individuele milieucompartimenten zoals lucht, water en voeding, geeft HBM een direct en geïntegreerd beeld van de concentraties aan milieuvervuilende stoffen die effectief terechtkomen in het menselijke lichaam. Bovendien kan met HBM langdurige en meervoudige interne blootstelling worden onderzocht, we worden immers blootgesteld aan een diverse cocktail van chemische stoffen uit ons leefmilieu en sommige stoffen stapelen gedurende lange tijd op in het lichaam.

HBM meet ook vroegtijdige gezondheidssignalen (‘early warnings’), d.w.z. veranderingen in het lichaam nog voordat er sprake is van ziekte. Dit biedt ruimte voor preventief gezondheidsbeleid, zeker bij jonge doelgroepen, aangezien via vragenlijstgegevens gezocht kan worden naar verklaringen voor blootstelling en gezondheidssignalen. Daarnaast kan HBM ook een belangrijke rol spelen in de bewustwording rond blootstelling aan chemische stoffen in het dagelijkse leven, doordat we meten in het lichaam en deelnemers op een persoonlijke manier worden betrokken bij het onderzoek (we spreken ook wel eens over ‘pollution gets personal’) en door de integrale benadering van de milieuproblematiek (met name ‘wat is de impact van mijn leefomgeving en leefgewoonten op mijn gezondheid?’ i.t.t. een gefragmenteerde benadering waarin telkens slechts één aspect wordt belicht).

Het Vlaamse Humane-biomonitoringsprogramma (2002 - ...)

Naar aanleiding van de verhoogde publieke aandacht voor milieu en gezondheid in Vlaanderen op het einde van de jaren ’90, o.a. de dioxinecrisis en enkele lokale vervuilingsdossiers zoals de gezondheidsproblemen rond de ISVAG verbrandingsoven in Wilrijk, werd het milieugezondheidsbeleid in Vlaanderen grondig aangescherpt. De oprichting van het Steunpunt Milieu en Gezondheid en het Vlaamse Humane-Biomonitoringsprogramma in 2002 vindt zijn oorsprong in deze periode. Na een pilootstudie in 1999 werd in 2002 voor het eerst een grootschalig HBM-onderzoek opgestart in Vlaanderen, met als doel de wetenschappelijke onderbouwing van het milieugezondheidsbeleid. Sinds 2003 is humane biomonitoring ook wettelijk verankerd in het Vlaamse preventiedecreet.

Aandachtsgebieden 1e SteunpuntIn het eerste humane-biomonitoringsprogramma (2002-2006) werden acht aandachtsgebieden met een verschillende milieudruk (stedelijke omgeving, fruitstreek, landelijk gebied en vier industriële regio’s) en drie leeftijdsgroepen (pasgeborenen, jongeren van 14-15 jaar en volwassenen van 50-65 jaar) onderzocht. In totaal namen ongeveer 1600 deelnemers per leeftijdsgroep deel aan het onderzoek. De resultaten toonden aan dat de impact van milieubelasting op de gezondheid verschilt naargelang het gebied waar men woont. Bovendien werd aangetoond dat ook relatief lage concentraties aan verontreinigende stoffen in het lichaam gezondheidseffecten kunnen veroorzaken en dat ook landelijke gebieden niet gespaard blijven van milieugezondheidsrisico’s.

affiche STP MG 2006-2011Het tweede humane-biomonitoringsprogramma (2007-2011) werd anders opgevat. Een eerste luik had tot doel om Vlaamse referentiewaarden te bepalen, of m.a.w. waarden voor ‘de gemiddelde Vlaming’. Deze waarden konden vervolgens de toetssteen vormen voor vergelijking met (internationale) richtlijnen, met gelijkaardige campagnes in specifieke gebieden of in het buitenland en voor het opvolgen van tijdstrends doorheen de tijd. In deze campagne werd bovendien een veel breder spectrum aan polluenten en gezondheidseffecten gemeten dan in het eerste humane-biomonitoringsprogramma. Naast de goed gekarakteriseerde vervuilende stoffen – zoals zware metalen en POP’s (Persistente Organische Polluenten) – werden ook chemische stoffen opgenomen die pas de laatste decennia in het milieu terechtkwamen en waarover soms maar weinig geweten is (bijvoorbeeld nieuwe pesticiden, weekmakers in plastic, vlamvertragers, enz.). In een tweede luik werd een strategie ontwikkeld om op systematische wijze aandachtsgebieden of “hotspots” te onderzoeken met biomonitoring. Uit meer dan 85 kandidaat-hotspots werden uiteindelijk twee gebieden onderzocht, Genk-Zuid en regio Menen. In deze gebieden werden telkens 200 jongeren van 14-15 jaar onderzocht en de meetgegevens werden vergeleken met de Vlaamse referentiewaarden.

tijdstrendsIn het derde humane-biomonitoringsprogramma (2012-2015) werd verder gebouwd op de brede basis uit de eerste en tweede cyclus. Opnieuw werden in verschillende leeftijdsgroepen Vlaamse referentiewaarden bepaald, zowel voor historische vervuilende stoffen als voor nieuwere polluenten. Daarnaast werd ook een derde hotspotonderzoek uitgevoerd bij jongeren in de Gentse kanaalzone. De resultaten van deze derde cyclus maakten het voor het eerst mogelijk om op een betrouwbare manier trends doorheen de tijd te bestuderen, voor sommige metingen (klassieke polluenten) over een periode van ongeveer 10 jaar tijd. De tijdstrends voor de meeste klassieke polluenten (zoals cadmium, lood, PCB’s en DDT) vertoonden een duidelijk dalende trend, naar analogie met dalende trends die eerder ook werden vastgesteld in het milieu over dezelfde periode (zie o.a. metingen van luchtkwaliteit door de Vlaamse Milieumaatschappij). Ook voor enkele recentere stoffen kon reeds een dalende trend worden vastgesteld. Bij de huidige lagere concentraties aan milieuvervuilende stoffen werden echter nog vroegtijdige gezondheidseffecten waargenomen. Wat aantoont dat een verdere daling van de blootstelling verdere gezondheidswinst kan opleveren.

In het vierde humane-biomonitoringsprogramma (2016-2020) zal verder worden ingezet op de sterktes en ervaringen van de voorbije vijftien jaar. Daarbij gaat o.a. aandacht naar het opvolgen van tijdstrends in Vlaanderen, de opkomst van nieuwe chemicaliën in ons leefmilieu, vergelijking met gezondheidskundige richtwaarden, factoren die de blootstelling beïnvloeden en de relatie tussen blootstelling en (vroegtijdige) gezondheidseffecten. Anderzijds zullen ook enkele nieuwe thema’s worden aangesneden. Waar in het verleden veel aandacht ging naar onderzoek in specifieke aandachtsgebieden, werd voor de komende meetcampagne gekozen om te focussen op drie centrale thema’s: binnenhuismilieu, ruimtegebruik en ecologische voeding. Voor deze cyclus zullen 600 jongeren verspreid over Vlaanderen gezocht worden om deel te nemen aan het onderzoek. 

Lees meer over de historiek van het Vlaamse humane-biomonitoringsprogramma en de beleidsdoorwerking van de onderzoeksresultaten:

pdf bestandHet Vlaamse Humane-Biomonitoringsprogramma - Historiek en nieuwe thema's.pdf (919 kB)